‘Hoe eerder hoe beter’: vroege diagnose ASS
door Iris Servatius-Oosterling, GZ-psycholoog, senior onderzoeker bij Karakter Universitair Centrum Nijmegen en lid van de stuurgroep Autisme Jonge Kind.

Nina was 8 weken toen haar moeder ’een ander’ gevoel had bij haar pasgeboren baby. Haar oudere broertje Thomas leek rustiger, alerter, gemakkelijker te troosten. Nina ontwikkelde zich motorisch vlot en vermaakte zich in de box goed. Ze sliep echter slecht en huilde veel, vooral ‘s nachts. Rond 12 maanden lukte het nog steeds niet om Nina fruit- en groentehapjes te laten eten. Ouders deelden hun zorgen hiervoor met de jeugdverpleegkundige. Ze kregen goede tips en hadden veel geduld, maar Nina bleef vaster voedsel eigenlijk steevast weigeren, was vaak ontroostbaar en de ouders raakten steeds meer uitgeput.

Toen Nina 18 maanden was, werd op het consultatiebureau opgemerkt dat Nina slecht reageerde op haar naam en het was moeilijk om een glimlach bij 2020 07 10 Iris Servatiushaar te ontlokken. Ouders herkenden dat zij vaak de kat uit de boom kijkt. De jeugdarts besloot om een screeningvragenlijst af te nemen (zie: CoSoS). Ouders stonden daar voor open. De uitkomst gaf aanleiding om nader onderzoek in te zetten. Bij 21 maanden werd Nina verwezen voor nadere diagnostiek bij een gespecialiseerd centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie bij jonge kinderen. Daar werd de diagnose autismespectrumstoornis (ASS) vastgesteld. Ouders kregen uitleg over ASS in een groep met andere ouders van jonge kinderen met ASS en er werd een oudertraining gestart waarin ouders leerden het gedrag van Nina beter te begrijpen. Ook kregen zij handvatten hoe zij haar ontwikkeling verder konden stimuleren en er werd samen gezocht naar manieren om om te gaan met de slaap- en eetproblemen. Ouders voelden zich erkend en gesteund en leerden samen met Nina weer meer genieten.

In het geval van Nina had de jeugdarts goede kennis van vroege signalen van autisme zoals niet goed reageren op aangesproken worden en niet gericht lachen. En ook gezien de problemen rond eten, slapen en zich laten troosten ontstond een ‘niet pluis’ gevoel. Dat was aanleiding om samen met ouders problemen verder te verkennen. Dit is een schoolvoorbeeld van hoe het in de praktijk zou moeten gaan. Maar helaas gebeurt het zo nog veel te weinig. Veel ouders van jonge kinderen die hun zorgen uiten bij professionals geven aan dat die zorgen veel te laat serieus zijn genomen. Dit terwijl het juist zo belangrijk is dat die signalen vroeg worden herkend, zodat gerichte hulp kan worden ingezet. Steeds meer wetenschappelijk onderzoek toont aan: “hoe vroeger, hoe beter”. Vroege hulp kan ertoe bijdragen dat ouders zich erkend voelen en dat zij het gedrag van hun kind beter leren begrijpen. Zij kunnen daar hun handelen op gaan aanpassen. Ook kunnen zij leren beter contact met hun kind te maken. En dit alles maakt vaak dat stress bij ouders vermindert. Als de juiste hulp tijdig wordt ingezet, voorkomt dat vaak ook (gedrags)problemen op latere leeftijd.

Autisme Jonge Kind is één van de pijlers van stichting Papageno. Het is een platform voor en door ouders en professionals. Je vindt hier informatie en inspiratie om tijdige herkenning en passende hulp voor jonge kinderen in de leeftijd van 0 tot 6 jaar (met vermoeden van) autisme mogelijk te maken.

(De gebruikte namen zijn om privacy redenen gefingeerd)